|
Column (week 5)
door Frank van Hemert
Voor een wetenschappelijk onderzoeker moet onze wereld een onuitputtelijke schatkamer lijken. Alles is te onderzoeken, van het kleinste deeltje op aarde tot de grootste hemellichamen in het heelal. Er worden duizenden berekeningen gedaan, miljoenen aantekeningen gemaakt en bibliotheken vol wetenschappelijke boeken kunnen worden geraadpleegd. Vervolgens wordt er gediscussieerd met collegae. Ze zijn er behoorlijk druk mee en na eeuwen van onderzoek zijn er nog steeds vragen genoeg waar de wetenschappers antwoorden op zoeken. De meesten analyseren, redeneren, reduceren, induceren, innoveren, sommigen deduceren, profileren en profiteren. Slechts een enkeling komt tot begrip.
Er was eens een parkiet die zijn hele leven in een kooi had geleefd, op de vierde verdieping van een flatgebouw. Op een zonnige dag stond de kooi op het balkon en daar ontmoette de parkiet een verre neef van hem, die over zijn woonplaats -een tropisch eiland- vertelde. Hij sprak bijvoorbeeld over bomen waar je in en uit kunt vliegen en waar het fruit zomaar in trossen tegelijk aan groeit. De parkiet luisterde met open snavel want zoiets had hij nog nooit gehoord. Zijn kooi was veel te klein voor een mooie vlucht. “Kun je daar dan écht vliegen?”, vroeg hij. “Ja, wel een kilometer”, antwoordde zijn neef. De parkiet die tussen de flatgebouwen van de stad woonde, probeerde wetenschappelijk te berekenen hoeveel kooien een kilometer zou zijn. Net zoals hij had berekend wat de afstand in kooien tussen de flatgebouwen was. Hij was zo druk bezig met rekenen dat hij de rest van de fascinerende verhalen van zijn neef niet meer hoorde. Zijn neef was allang weer weg gevlogen, toen de parkiet eindelijk wist hoe groot een kilometer in kooien was.
Er zijn nog steeds wetenschappelijke vragen zonder antwoorden, omdat wetenschappers nog steeds via inductie tot conclusies komen, net als de parkiet dus. In principe kan een wetenschappelijk onderzoeker bijvoorbeeld nooit de stelling aannemen dat alle mensen sterfelijk zijn want hij zou daarvoor eerst alle mensen moeten onderzoeken, om uitzonderingen uit te sluiten. Daarom worden soms dingen onderzocht die voor (de rest van) de mensheid allang logisch zijn. Wetenschappers nemen liever niets van een ander aan, zelfs niet van hun vader, hun leraar of op paranormale wijze. Zij vertrouwen alleen maar op hun eigen zintuigen en experimenten, hoe volmaakt deze ook mogen zijn. Zo komt men tot uiteindelijk tot conclusies en theorieën. Maar de spreekwoordelijke vogel is dan vaak allang over het touw gegaan...
|
|
|
|